‘Huiverend, met opgetrokken schouders, stond Sybrand aan de reling. Het begon net licht te worden, de zon – niet meer dan een lichtvlek in de egaal-grijze lucht – kroop omhoog achter de Carn a’ Grobhair en de Sgurr Bhuidhe; kranen, havenloodsen en roestige vrachtschepen doemden meedogenloos op uit de schemering.
Daar stond hij, in zijn ouderwetse montycoat, zijn handen diep in de zakken, zijn voeten een stukje uit elkaar om de bewegingen van het schip te kunnen volgen. Stoer en opgewassen tegen het buitenleven, zo te zien, maar bleek in het gezicht onder het schippersmutsje. Het grijzende haar aan de slapen fladderde in de wind, de toegeknepen ogen tuurden in de verte en traanden een beetje, zoals bij eenieder die de zee trotseert. De rode neus had niets met drankgebruik te maken maar met vocht en lage temperatuur. De rechte mond met opeengeklemde lippen wees op kou, niet op vastberadenheid.
Daar stond een binnenzitter die was losgebroken, zijn pak en overhemd aan een haakje had gehangen en iets ruigers uit de kast had getrokken. Die montycoat echter sprak boekdelen, zoiets draagt een buitenmens niet.’
Zo begint het boek waar ik de afgelopen jaren aan gewerkt heb en dat nu zijn voltooiing nadert. Als ik aan iets nieuws begin heb ik een vermoeden van waar het boek over zal gaan, maar de uitkomst is onvoorspelbaar. In bijgaand interviewfragment (het volledige interview is te zien op lezen.tv) vertel ik iets over mijn manier van werken.